Prenataal onderzoek

In je zwangerschap kun je verschillende onderzoeken laten doen om meer informatie over de gezondheid van je ongeboren kindje te krijgen. Deze testen kunnen echter geen garantie geven op een gezond kindje en zijn daarom ook een keuze. Hieronder vind je kort uitleg over de mogelijke onderzoeken en links naar websites met meer informatie.

 

Echografie in de zwangerschap

Tijdens je zwangerschap kunt je een aantal echo’s krijgen. Standaard is dit een termijnecho rond 10-12 weken, om te bepalen hoe ver je zwanger bent en dus een uitgerekende datum vast te stellen. En rond 20 weken een echo (Structureel Echoscopisch Onderzoek - SEO), waarbij wordt gekeken naar onder andere of de rug en schedel gesloten zijn en naar de aanleg van de organen. Op indicatie kan het nodig zijn om ook nog op andere momenten een echo te maken.

Bij de echo wordt er gebruik gemaakt van ultrageluidsgolven, deze zijn niet schadelijk voor je ongeboren kind. Afhankelijk van de duur van de zwangerschap en de reden van het onderzoek kan gekozen worden voor een uitwendige echo (via de buikwand) of een inwendige (vaginale) echo.

Voor meer informatie kijk op: Verloskunde Centrum Oost of Structureel Echoscopisch Onderzoek

 

Prenatale testen

Prenatale screening - combinatietest, NIPT

Prenatale screening is de mogelijkheid om in het 1e trimester van de zwangerschap onderzoek te laten doen naar de kans dat je ongeboren baby een syndroom heeft. Er wordt gekeken naar het syndroom van Down (trisomie 21), het syndroom van Edwards (trisomie 18) en het syndroom van Patau (trisomie 13). Dit kan gedaan worden middels een combinatietest of een NIPT (Niet Invasieve Prenatale Test). Beide testen geven geen 100% zekere uitslag.

De combinatietest is een kansberekening. Uit de combinatie van de leeftijd van de moeder, een bloedtest bij de moeder en een echoscopische nekplooimeting bij de ongeboren baby, volgt een risicoschatting op het voorkomen van de genoemde syndromen bij de baby.

De NIPT test is een test waarbij in het bloed van de moeder wordt gekeken naar het DNA van de baby, om zo te zien of de baby drager is van één van de genoemde syndromen. Echter komt het DNA van de baby niet bij de moeder terecht, maar het DNA van de placenta. Dit DNA komt grotendeels overeen met dat van de baby, maar niet volledig.

Als de uitslag van zo'n test aangeeft dat het ongeboren kind mogelijk een syndroom heeft, dan kun je dit verder laten onderzoeken met behulp van prenatale diagnostiek.

Voor meer informatie kijk op: prenatale screening, combinatietest of NIPT 

 

Prenatale diagnostiek - vruchtwaterpunctie, vlokkentest

Indien er bij de prenatale screening afwijkingen worden gevonden, dan krijg je de optie om vervolgonderzoek te laten doen om een zekere diagnose te verkrijgen. Dit noemen we prenatale diagnostiek en dit kan verricht worden middels een vruchtwaterpunctie of een vlokkentest.

Bij de vruchtwaterpunctie wordt via de buikwand een beetje vruchtwater afgenomen. De cellen in dit vruchtwater worden onderzocht op chromosoomafwijkingen.

Bij de vlokkentest neemt de gynaecoloog via de vagina of via de buikwand een klein stukje placentaweefsel (moederkoek) weg. Dit wordt onderzocht op chromosoomafwijkingen.

Voor meer informatie kijk op: prenatale diagnostiek (AMC)